2015: De uitspraak van de Hoge Raad

Die uitspraak vormt de basis van de claim van de Stichting Loterijverlies.nl voor misleiding van de Staatsloterij bij het verkopen van staatsloten in de periode van 2000 tot 2008. De HR bevestigt hiermee de eerdere uitspraak van het Gerechtshof op 28 mei 2013.

In een uitspraak heeft het Gerechtshof Den Haag verklaard in een door Stichting Loterijverlies.nl tegen de Staatsloterij in 2008 begonnen collectieve actie, dat de Staatsloterij (SENS) gedurende de periode 2000 tot en met 2007 misleidende mededelingen heeft gedaan over het wel- of niet-gegarandeerd zijn van de prijzen, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen. Ook is verklaard dat SENS in 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van prijzen.

Voor alle duidelijkheid: vóór de uitspraak van de Hoge Raad hebben de rechtbank en het gerechtshof de zaak behandeld. Eerst zag de rechtbank geen gronden om misleiding aan te nemen. In Hoger beroep oordeelde het gerechtshof anders en de Hoge Raad was het daar mee eens.

De beslissing van het Gerechtshof heeft alleen betrekking op de in 2000 tot en met 2007 12 x per jaar (maandelijks) gehouden staatsloterij en de Koninginnedagtrekking 2008. Tegen deze uitspraak zijn de Staatsloterij en Stichting Loterijverlies.nl in beroep (cassatie) gegaan.

Dit cassatieberoep heeft geleid tot de uitspraak (arrest) van de Hoge Raad ECLI:NL:PHR:2014:2812

Onze toelichting

In het arrest (onder 4.3.3 Beoordeling van het middel in het principale beroep) komt letterlijk de volgende zin voor: “Voor misleiding ( . . .) is noodzakelijk (. . .) dat de onjuiste of onvolledige informatie de maatman misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter zijn (. . .) gedrag kan beïnvloeden. Het hof heeft dit tot uitdrukking gebracht door te onderzoeken of de gewraakte mededelingen van Staatsloterij van voldoende materieel belang waren om de maatman te kunnen misleiden.

Het hof heeft daarbij vastgesteld dat het in de perceptie van de maatman bij de winkans ging om gemiddeld zo’n 20 grote prijzen per 3 miljoen loten, terwijl in werkelijkheid sprake was van toekenning van (slechts) 4 grote prijzen. Het hof heeft dit verschil voldoende geoordeeld om de maatman te (kunnen) misleiden en heeft daarbij het verweer van Staatsloterij verworpen (.. .).

Ook wordt in dat arrest (onder 5.2 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep) heel duidelijk verwezen naar artikel 8 lid 2 van de Wet op de Kansspelen: “Onder een staatsloterij wordt verstaan een loterij waarbij door trekking de nummers van de deelnamebewijzen worden aangewezen waarop de prijzen vallen en waarbij ten minste 60% van de door de deelnemers betaalde inleg aan prijzen wordt uitgeloofd.”

Het beeld was dus een winkans van zo’n 20 grote prijzen per 3 miljoen loten, terwijl in werkelijkheid sprake was van toekenning van slechts 4 grote prijzen. Dit betekent dat er in diezelfde perceptie slechts (4/20= 20%) aan ‘waarheid’ is verkocht. De destijds verkochte loten waren dus véél te duur.